De Kleyne Vijfhoek

Op den Juni 1769 ontdekte zich aan mij onder verscheide Zee-wieren een Diertje, hebbende voor ’t Oog de groote van eene middelbare Speldekop, de kleur geelachtig, en zich aan de wanden van het glas vasthoudende, als Fs. Door een wat sterk vergrotend Loupje, of microscoopglas No 6 gezien, zijnde, vertoonde zich als een Polypje van een zonderling maaksel.

De gedaante was die van eene Stompe Vijfhoek, witachtig grauw, in welks binnengedeelte eene andere Vijfhoek, van geele kleur vervat was en daar op wit of bleekgeele Stipjes. Rondom het Diertje was eene wat donkerder rand, of liever van hoger geele kleur, welke zich ook vertoonde in het midden van elk der vijf uitstekken, als een middelrib met zijn scheuten en takken voor zich, welke zich aan de rand schenen uit te strekken. Aan ieder der vijf toppen zag men boven aan de rand, vijf of zes uitstekjes als tandjes aan die van een raderwerk gelijk, verders kwamen van onder elk der gezeide vijf Stompe punten, 5 of 6 armen en bovendien noch eens uit elk der invallende holten, zo dat dit Diertje 26 of 28 armen of pooten heeft. Hoewel ik denke dat er zich nog meer van onder aan het lichaam bevinden. Deeze pooten kan het Diertje zeer kort inhalen, of ook uitstrekken tot eene lengte zijn lichaam verre overtreffende, in minder of meerder (getal) gelijk, doch alleen naar die zijde, werwaards het zich wil begeeven, hegtende dan zijn pooten daar vast, en zijn lichaam daar naar toe halende. (N.B. Ziet dit op de maate der uitstrekkingen der pooten; of op ’t getal der pooten die tegelijk beweegen?) .

Het Diertje kan ook drijven op ’t water , met zijn armen of pooten roeijende,. Het klemt ook tegen Takjes van het Zeemos vooral op de Coralina Tubularia op welke ik het zelve ontdekte. Het is ook zeer doorschijnend en op zijde gezien zijnde vertoont zich de rug bol verheven en met vele uitstekende puntjes bezet. Van onderen zijn de menigte armen of pooten aangehecht, alhoewel de aanhechting zich wat onduidelijk vertoonde. De beweeging is wat traaglijk, ik heb geen mond kunnen onderkennen. De einden der armen of pooten hebben eene dikkere of knotsachtige gedaante, doch ook deze veranderden ze zich gedurig.
Op den 16 Juny 1769 heb ik Diertjes van hetzelfde soort maar een weinig groter gevonden welker inwendig gestel en armen ruim zo duidelijk als de vorige was te zien. Ook heb ik bij vervolg allengs grotere doch minder doorzichtige gevonden en de uitgestrektheid der armen kleiner naar evenredigheid der lichamen en meer naar groote Vijfhoeken gelijkende. Deze kleine Schepzeltjes waaren zeer aangenaam te beschouwen in hunne beweegingen en voortgang. Als een op de rug lag deede ’t sterke pogingen om zich te omwentelen ’t geen ’t met veel moeite verrigte, verder kan ’t aan de takjes Corallina opklimmende zich ombuigen als een vrouwenhoed. Doch de zonderlinge uitbreiding der armen in het zwemmen was aller verwonderlijk in ’t voorkomen.

Het schijnt mij toe, dat deze wellicht dezelfde soort van Vijhoek of Zeester zij, welke de Heer Baster, zeer omstandig en fraay beschrijft en uitbeeldt in deszelves Natuurlijke Uitspanningen pag 334 en het 1e deel. Doch dat het ons hier voorkomt in deszelves eersten staat van uitkoming. Terwijl bij volgende aangroeiing die ik gedurende eenige weken gelegenheid hadt te kunnen waarnemen, het Diertje allengs kans(?) meerder aan de gemelde grotere vijfhoeken gelijkvormiger weerden.

Uit hoofde der doorschijnendheid van dit tedere gestel, vertoonen zich bijzonder fraay en duidelijk, de inwendige deelen der geleedingen. Als ook zulke, die tot stevigheid en uitbreiding dienen, doch doe bij verdere opgroey beenachtig worden. Weshalve ’t mij toescheen niet ongeschikt te zijn deszelve in hunnen eersten staat der beschouwinge voor te stellen.






Back

Back